Conrad Detrez, Belgisch missionaris, journalist, schrijver, revolutionair, werd uitgezonden naar Brazilië in de jaren zestig, werd gegrepen door de cultuur en groeide uit tot spreekbuis in Europa voor de linkse, anti-dictatoriale strijd. In onderstaande tekst, verschenen in Magazine
littéraire,
september 1982, verteld hij over zijn fascinatie voor dat land, dat hem uiteindelijk verslonden heeft. Detrez' biograaf Peter Daerden (zie bijvoorbeeld deze recensie) vertaalde de tekst speciaal voor Stichting August Willemsen vanuit het Frans.
 |
Conrad Detrez in 1978
|
Verslonden door Brazilië
Ik ben in 1962 op mijn vijfentwintigste naar
Brazilië geëmigreerd. In 1969 werd ik het land uitgezet omdat ik de
verzetsbeweging tegen de militaire dictatuur, die sinds 1964 aan de macht was,
steunde. Vijf jaar lang woonde ik uitsluitend in arbeiderswijken, eerst in
Volta Redonda, waar de belangrijkste staalfabrieken van het land gevestigd
zijn, en daarna in de Zona Norte van Rio de Janeiro. De enige intellectuelen
met wie ik omging waren politieke activisten, linkse katholieken of marxisten. De
linkerzijde was nationalistisch. Groepen studenten, verbonden aan de MCP
(Movimento de Cultura Popular), doorkruisten het land en verspreidden de muziek
en de legendes van de Nordeste, de Geschiedenis die de officiële schoolboeken
niet onderwezen, het volkstheater en de cinema novo. Kortom, we leefden
midden in de agitprop.
Mijn acculturatie vond plaats in deze
sfeer. Ik raakte al snel vertrouwd met de cordel-verhalen, een
literatuur van troubadours die de oude mythen van de sertão overbrengt.
Ik verdiepte me in de heldendaden van de slavenstrijd, het erebanditisme van de
cangaço, het messianisme en de volksreligies. Bij die laatste ging mijn
interesse uit naar het animisme van Afrikaanse oorsprong. Ik heb me laten
inwijden. Ik werd een zoon van Ogun, de geest van oorlog en vuur, en een
turbulente orixá. Ik las de studies van Nina Rodriguez, Arthur Ramos en
Edson Carneiro over de Afro-Braziliaanse cultuur en ik bestudeerde de beroemde
klassieker De Meesters en de Slaven van Gilberto Freyre. Tegelijk was ik
erg onder de indruk van de films van Glauber Rocha en Nelson Pereira dos
Santos. Ze gaven me een dieper inzicht in de culturen van Noordoost-Brazilië en
Bahia. Hoewel ik in het moderne Zuiden woonde, was het vooral de traditionele
Nordeste die me mijn spirituele voeding gaf.
In mijn voorstad in Rio werd mijn culturele
leven grotendeels gevoed door de zwarte cultuur. Ik bezocht danszaaltjes (gafieiras),
terreiros (religieuze tempels) en sambascholen. En ik ging naar het carnaval.
Voor mij, als Europeaan, bestond er niets origineler, levendiger en nieuwer.
Mijn relatie met een zwarte persoon, zelf opgeleid in de umbanda religie,
maakte me erg ontvankelijk voor deze Afro-Braziliaanse cultuur (trouwens, wat brengt
je dichter tot de cultuur van de Ander dan seks?).
Het blanke Brazilië leek me eerder
conformistisch, provinciaal en kleinburgerlijk. Alle topprestaties leken mij
gevoed door de waarden, beelden, vormen en klanken van de afstammelingen van
slaven of van Brazilianen van (biologisch of cultureel) gemengde afkomst. In
dit opzicht evenaarde niets de rijkdom van de bossa nova en bijna de
hele MPB (Música Popular Brasileira). Niets evenaarde de kracht van de poëzie
van João Cabral de Melo Neto en de romans van Jorge Amado (in het bijzonder zijn
vroege werk), José Lins do Rego en vooral Guimarães Rosa, de epische dichter
van de caboclo-wereld (een universum van boeren met Portugees, zwart en
indiaans bloed) en van het oude Minas Gerais, dat fascinerende reservaat (manancial)
van het diepste Brazilië. Gebaseerd op de mythe van de antropofagie, heeft deze
cultuur me geleidelijk aan verslonden. De Braziliaanse tropische cultuur werd een
deel van mij. Ik voelde het opnieuw toen ik elf jaar na mijn uitwijzing
terugkeerde naar Brazilië, dankzij de amnestiewet voor politieke gevangenen. En
natuurlijk liet de schrijver die ik intussen zelf geworden was zich – op zijn
beurt – door deze vermenging beïnvloeden.
- Conrad Detrez, oorspronkelijk verschenen
in Magazine littéraire, september 1982