door: Fernando Venâncio *
Er rijden trams in Lissabon. Steeds minder, dat wel. Van de
tientallen tramlijnen die Lissabon vijftig jaar geleden telde, zijn er nog maar
drie over. Vroeger, in de tijd van Fernando Pessoa waren de Lissabonse trams
bezit van een Engelse maatschappij. Binnenkort zullen ze eigendom worden van
een Spaanse firma met Mexicaans kapitaal. Welnu: van de drie overgebleven
lijnen gaat er een naar Prazeres, een begraafplaats. Daar ligt inderdaad het Cemitério dos Prazeres, en August
Willemsen vertaalde dat met 'Begraafplaats der Lusten'. Grappig. Eigenlijk té
grappig, lieve meester. Het gaat om «Nossa Senhora dos Prazeres», 'Onze Lieve
Vrouwe der Vreugden', niet om ándere, rare pleziertjes. De rooms-katholieken
onder u zullen zojuist een innerlijke vreugdedans hebben beleefd, denkend aan
de 7 Vreugden van Jezus' Moeder, die helaas wiskundig werden getemperd door
haar persoonlijke 7 Smarten. Op dat kerkhof heeft Pessoa precies
een halve eeuw gelegen. Van 1935, toen hij daar werd begraven, tot 1985, 50 jaar later.
Toen zijn zijn resten naar het grote klooster van de Jerónimos verhuisd.
Dat
sterfjaar 1935 heeft me altijd verbaasd. Niet alleen omdat Pessoa dán op de jonge leeftijd van 47
jaar is overleden, maar omdat slechts elf
jaar later ik zelf in de straat ben gaan wonen waar hij zijn laatste jaren
heeft gewoond. Die lange, rechte, toen moderne Rua Coelho da Rocha, midden in Campo
de Ourique, één van de meest gezellige wijken van Lissabon. We hadden dus... Ik
had... Pessoa en ik... Nou, hoe oud (ik was nog maar twee) had ik moeten worden
om een beginnend besef te krijgen...? Maar toch. Ik had in die straat nog iets spiritueels,
iets elektrisch, iets holografisch kunnen opsnuiven van die grote bewoner. Maar
niets is minder waar. Helaas. Het leven
is zóveel minder romantisch dan het had kunnen zijn.
Het
werkelijk treurige feit is echter dat, zelfs later, nog 20 jaar na Pessoa's dood, het besef van zijn
grootheid onder Portugezen, óók onder geleerde Portugezen, nog miniem
was. In 1950, toen criticus en Pessoa's vriend Gaspar Simões een omvangrijke
biografie van de schrijver publiceerde, werd nog gefluisterd «Moet dat echt?» Pas
tegen 1960 begon men te ontdekken wat een groot schrijver onder ons had
geleefd.
De zaak lag zelfs nog gecompliceerder. Pessoa was wél al die tijd bekend gebleven in een
kleine kring; die van de intellectuelen die het Salazar's regiem steunden, of
daar geen last van leken te hebben. Salazar (dat moet gezegd worden) was zelf ook een
intellectueel, zij het dat op cultureel gebied hem niet veel interesseerde. Wel
had hij een soort officieus ministerie van cultuur, gerund door António Ferro, een
kosmopoliet, bewonderaar van het Italiaans fascisme, toen nog te verkopen als een
moderne, letterlijk 'futuristische' ideologie. Ook bewonderde Ferro het werk van
Pessoa en van de schrijver en schilder Almada Negreiros. In 1934 (Salazar's
dictatuur was net begonnen) kreeg Ferro het voor elkaar dat Pessoa een
belangrijke literaire prijs ontving voor zijn werk Mensagem. Maar juist die prijs en die nabijheid met de dictatuur hebben
Pessoa verdacht gemaakt in de ogen van links, zeker toen later, in de jaren 40
en 50, in
Portugal de literaire productie gedomineerd werd door het communistisch geïnspireerde
Portugese neorealisme. Zoals Michaël Stoker, de jongste Pessoa-kenner in
Nederland, het stelt: Pessoa was, méér dan een dubieuze, een uitgesproken
rechtse, elitaire figuur. Dat is zeker waar. Daar staat tegenover dat hij sterk
antikerkelijk was, en in moreel opzicht ruimdenkend. Hij verachtte bovendien de
dictator Salazar, en wel omdat hij hém een omhooggevallen, benepen boerenlul
vond. Feit is dat al deze
dubbelzinnigheden 40 jaar later, ten tijde van de Anjerrevolutie van 1974, geen
rol meer speelden. Pessoa's werk was inmiddels erkend en bejubeld in binnen- en buitenland.
Mensagem, 'Boodschap'. Het zou het enige boek blijven dat Pessoa in drukvorm
heeft kunnen zien. Ik bezit zelf een exemplaar van die eerste, beperkte druk. Ik vertel het u
kort. Toen Guus in 2001 in
Amsterdam zijn boek over Australië kwam presenteren, vroeg hij mij om mijn
gegevens. Hij zou die gebruiken om in zijn testament te laten bepalen dat zijn
boeken met betrekking tot Portugal, aan mij werden nagelaten. Zo'n vraag leek
me zo irreëel (je vrienden gaan nooit dood, jijzelf trouwens ook niet) dat ik
daar geen werk van heb gemaakt. Toen hij was overleden, bleek dat hij die
boeken aan het Portugese instituut (instituutje...) aan de Universiteit van
Amsterdam had nagelaten. Waaronder deze Mensagem,
met handgeschreven opdracht van Pessoa, door hem getekend en gedateerd 13
januari 1935, het jaar van zijn dood dus. Na Guus' overlijden zorgde Bauke Marinus, de onberispelijke, toegewijde executeur testamentaire, ervoor dat dat
gedeelte van het nalatenschap inderdaad naar 'Portugees' ging. Mijn directe baas
bij Europese Studies, de geleerde professor Joep Leerssen, kreeg deze
waardevolle band en bewaarde die achter slot en grendel. Op de dag dat ik mijn
afscheidscollege gaf aan de UvA, januari 2010, verraste hij mij met een
absoluut formidabel geschenk: dit boek. Nu weet ik niet hoeveel Guus zelf daarvoor heeft betaald
aan de Livraria Camões, aan de Rua da Misericórdia, de Barmhartigheidsstraat, in
de Lissabonse wijk van boekenantiquariaten. Een gaaf exemplaar van Mensagem met opdracht zal vandaag de dag
op een veiling makkelijk € 4 à 5.000 opbrengen. Maar helaas. In dit exemplaar ligt
over de naam van de opgedragen een zwarte balk, en zoiets devalueert het exemplaar
enorm. Zover ik weet is het toch nog zo'n € 1000 waard is. Maar wees niet
bezorgd: ik zal het voor altijd bij me houden. Boekenfetisjisme? Ok. Boekenfetisjisme.
En, als je bedenkt dat aan dit
exemplaar August Willemsen én Fernando Pessoa hebben gezeten, dan komt de
fetisjist in mij geheel aan zijn trekken.
![]() |
| Pessoa in Lissabon |
Aan die bundel over Lissabon uit 1995, in 2003 herdrukt,
werkten Guus mee met 6 teksten, Arie Pos met twee en verder (in volgorde van
verschijning) Ike Cialona, J. Rentes de Carvalho, Francine Stoffels, Wim
Wennekes, Anton Berden, Monica Jansen, deze spreker hier en Harrie Lemmens. Het
is een mooi boek geworden.
In
bovengenoemd artikel, «De voorbijganger aan zichzelf» (een titel geleend van
Pessoa), wordt geconstateerd dat er in Pessoa’s werk twee Lissabons bestaan. Dat van zijn kinderjaren, d.w.z. van vóór zijn vaders dood
en het vertrek naar Zuid-Afrika, en het Lissabon van na zijn terugkeer in 1905 en
wel tot 1935, in welke hij de stad praktisch nooit meer heeft verlaten. Beide Lissabons, stelt Willemsen, zijn steden waarbij
de dichter niet 'hoort', waarin hij een 'zinloze voorbijganger' is, een
'vreemdeling hier als overal' (citaten uit Pessoa's werk). Zelfs het Lissabon, het
gedetailleerde Lissabon van Het Boek der
Rusteloosheid, is een dromerige stad, ook daarin, schrift Guus, blijft
Pessoa «de bewoner van het denkbeeldige».
Het Boek der
Rusteloosheid werd vertaald door Harrie Lemmens in 1990. Lemmens heeft zelf deze uitgave
samengesteld. Zoals bekend, liet Pessoa in zijn beroemde kist, zo'n 30.000
snippertjes met aantekeningen, korte of minder kortere tekstjes verzameld,
bedoeld voor een boek dat hij ooit had willen uitschrijven. Twee weken geleden
ontmoette ik Lemmens in Lissabon en daar hoorde ik dat er net een nieuwe,
herziene (d.w.z. langere) versie van Het
Boek bij De Arbeiderspers is verschenen.
In een ander artikel van Willemsen, «Fernando Pessoa in de
Nederlanden», te vinden in de bundel Het
hoge woord. Beschouwingen en boutades, uit 1994, vertelt hij uitgebreid over de doorbraak
van Pessoa in Nederland en Vlaanderen na het verschijnen van de Gedichten in 1978, tegenwoordig in 11e
druk. (Maar
hij herinnert ook aan de openbare les, in 1959, van zijn leermeester professor
de Jong, Fernando Pessoa, of het
veelvoudig dichterschap). Waarom vertelt Guus zelf dat lange succesverhaal
waar hijzelf aan de bron heeft gestaan? Omdat, schrijft hij, niemand anders het
deed en hij alle gegevens bij elkaar had. Reden genoeg dus. Een aantal van die
gegevens.
De eerste «volwassen» recensie van de Gedichten was van Gerrit Komrij in december dat jaar, 1978. Gaandeweg
wordt de algemene verbazing groter, die wordt verwoord in deze of andere
termen: 'Hoe is het mogelijk dat een zo groot dichter bij ons zo onbekend is?'
Ook De anarchistische bankier wordt
in 1980 aangenaam ontvangen, net als Ode
van de zee in 1981.
Guus vertelt ook over de film van Kees Hin en K. Schippers
van 1982. Een klein tijdsbeeld: ik
stuurde over de film meteen (toen nog vanuit Nijmegen) een bericht naar
Lissabon. De
prachtige titel «De vraag op het antwoord» (A pergunta à resposta) verscheen in
de krant, afschuwelijk saai, als 'A pergunta e a resposta'... Gezegd moet
worden dat ik de tekst per telex heb gestuurd en dat mijn poging om een 'accent
grave' aan te geven niet werd begrepen.
Ook herinnert Guus aan de poëzievoordrachten van de
Vlaamse Leen Vermeiren in die jaren 80. Ik heb zelf een paar van haar shows
gezien, en die waren absoluut indrukwekkend. Maar nogmaals: de vertalingen van
Willemsen nodigden uit tot zo'n taalfeest. Er waren ook toneelstukken op
teksten van Pessoa. En dan noemt hij niet eens de op de Ode van de Zee gebaseerde toneelstukken, waarvan ik twee heb gezien.
En hoe zit het tegenwoordig? Is er leven na August
Willemsen? Kan Pessoa in Nederland voortleven na de dood van zijn profeet? Ik
denk van wel. Wij zelf zijn daar al een
bewijs van. Maar we zijn niet alleen.
Michaël Stoker, directeur van Het Literatuurhuis in
Utrecht, is in 2013 aan de Utrechtse universiteit gepromoveerd op een
dieptestudie van het Boek der
Rusteloosheid. Ook hij is een Pessoa-bezetene, zoals o.a. blijkt uit een
lang en zeer boeiend interview dat hij in 2013 gaf op Radio 1 aan Lex
Bohlmeijer. U kunt het terugluisteren. Google NCRV "michael stoker"
en u krijgt het meteen. Neem de tijd, want het is, zoals gezegd, een lang
interview, over bijna twee uur uitgespreid.
Wat daarin opvalt is dat er bij Stoker een soort
herontdekking plaatsvindt. Hij verwijst uit zichzelf op geen enkel moment naar
de voorgeschiedenis van Pessoa in Nederland. Alles lijkt opnieuw te beginnen,
Pessoa is voor de huidige generatie blijkbaar opnieuw een openbaring. Er is
sprake van een persoonlijke beleving van Pessoa, zoals in de goede ouwe tijd. Als het u te zweverig wordt, bedenk dan dat een
element van irrationaliteit bij Pessoa nooit ver weg is.
Michaël Stoker heeft verder ook een boek over Pessoa
gepubliceerd, Mijn fictie vergezelt mij
als mijn schaduw (Uitgeverij IJzer, 2008), dat ik helaas nog niet ken.
Tijdens dat programma luisteren we naar een aantal liedjes
die op teksten van Pessoa zijn gecomponeerd: de Portugese fadozangeressen
Mariza, Mísia en Cristina Branco, maar eveneens Frank Boeijen met «Wanneer de
lente komt»
We hadden (en Willemsen had) het over de invloed van
Pessoa op Nederlandse dichters: Komrij, Bernlef, Kopland. In een eigen artikel
uit 1995, noemde Rob Schouten nog Arjen Duinker, K. Michel en Elma van Haren.
Anders wordt het wanneer niet de stijl en het perspectief
van Pessoa doorwerken, maar een personage van hem tot held wordt verheven in
een poëem. Dat gebeurt in Steven! van
René Huigen, een lang gedicht uit 2005. Ik noemde het een 'personage' van
Pessoa, maar dat is het niet eigenlijk. Esteves (in Portugal een achternaam, en
wel één van het meest saaie soort) is de man die aan het eind van het gedicht
«Tabacaria» (Sigarenwinkel) terloops verschijnt, de «Steven zonder metafysica».
Het werk Steven! van
René Huigen is in Lissabon in een tweetalige uitgave verschenen, met een
vertaling van mijzelf. Het voorwoord, alleen in het Portugees afgedrukt, is van
Gerrit Komrij. Daarin schrijft hij (en hiermee sluit ik dit praatje af):
«Ergens
onderweg moet de jonge dichter het werk van Fernando Pessoa zijn tegengekomen,
de specialist in het verzinnen van nieuwe personen. Er bestaan dichters die imiteren
en eeuwig epigoon blijven, er bestaan ook dichters die in het pantheon
standbeelden tegenkomen waarin ze, al of niet tot hun schrik, een essentieel
facet van zichzelf herkennen.
«Het
was onontkoombaar dat René Huigen met zijn jongste bundel Steven! (2005), een bundel met maar één gedicht, getuigenis zou
afleggen van deze ontmoeting. Of liever, van de ontmoeting met de man die zich
aan het slot van Álvaro de Campos’ Tabacaria
omdraait en zwaait –
«O, ik ken hem; het is Steven zonder
metafysica.
«Het
wordt een zoektocht, met bijbelse, danteske en homerische accenten,
archaïsch-modern, naar wat iemand beweegt ‘die zich nergens toe bewogen weet’. Wij Sigarenhandelaren
kijken glimlachend toe».


Geen opmerkingen:
Een reactie posten